De evolutietheorie is de theorie voor de evolutie van het leven op aarde. Het beschrijft hoe een soort kan evolueren(veranderen).

op een van zijn reizen naar de Galapagoseilanden viel het Charles Darwin op dat hij overal op alle eilanden dezelfde soorten dieren tegen kwam maar met net andere uiterlijke kenmerken. Darwin vroeg zich af of dat het werk van god kon zijn dat hij zoveel soorten had gemaakt. Darwin dacht dat dit onmogelijk was en dat er een andere reden moest zijn waarom de soorten van elkaar verschilden. hij ontwikkelde daarover een theorie. Hij dacht dat de soort zich aanpaste aan de verschillende omstandigheden in zijn omgeving. Daarom had de vink op het ene eiland een scherpere snavel dan op het andere eiland, want op het ene eiland moest de vink aan voedsel komen in rotsspleten. De aanpassing van dieren aan zijn omgeving had vooral te maken met de manier waarop hij aan zijn voedsel moest komen. Hierdoor kon de soort overleven in steeds wisselende omstandigheden. Ook had Darwin het idee dat dieren zich steeds verder ontwikkelden waardoor ze steeds konden overleven. Dit alles had te maken met de strijd om voedsel. Alleen de aangepaste dieren konden voedsel krijgen en overleven, waardoor alleen de sterkste overbleven. Deze theorie kon ook het ontstaan van de mens verklaren. De aap had zich zo aangepast dat hij uiteindelijk een mens werd.