Alle organismen leven samen met soortgenoten in een groep. Ze leven met een groep individuen van hetzelfde soort in hetzelfde gebied, die zich onderling voortplanten.
Bij geslachtelijke voortplanting ontstaan er telkens nieuwe genotypen. In de genotype van een individu (afzonderlijk) kunnen mutaties ontstaan. Dat is een plotselinge verandering van het genotype.